De mythomaan

‘Wat het publiek je verwijt, ontwikkel dat, want dat ben jij.’ Dat had ik ooit gelezen en het beviel me wel. Ik bedoel maar, mijn familie had altijd beweerd dat ik een zwetser, fantast en leugenaar was, dus ik hoefde er niet al te veel moeite voor doen om mezelf als een levende legende te presenteren. Dat ik eigenlijk niets kon, behalve mezelf verzinnen was bijzaak.

Dus hing ik bijkans dag en nacht aan de toog van café De Tjoenster en maakte mezelf groter dan ik was. Het hielp dat ik veel las en daar heel veel van onthield. Ik kon ervaringen en wijsheden presenteren die groter waren dan mijn ook toch niet iele voorkomen en maakte indruk. Helaas niet op vrouwen. Nou ja, niet op de vrouwen die er toe deden. Psychiatrische patiënten en verlopen alcoholistes hingen dan wel aan mijn lippen, maar zij motiveerden mij zelfs niet tot eenmalige lichamelijke liaisons, hoe wanhopig ik hormonaal ook was.

Ik was uiterst interessant: door Afrika gereisd, in oorlogsgebied gewerkt, crimineel verleden, eigenlijk gevaarlijk en had ik echt in het Vreemdelingenlegioen gediend? Ik vergat, mede door toedoen van sloten bier en gin-tonics (dat dronken we in de compound ook altijd), het belangrijkste aspect: markante mannen waren zwijgzaam. Markante mannen waren geen opscheppers. Markante mannen dronken zonder acht te slaan op hun omgeving hun drankje. Markante mannen trokken zich niets van anderen aan.

Maar ik, ik wilde gezien worden. Ik was nog steeds de kleine jongen die onder in de kast kroop als zijn ouders weer eens ruzie hadden. Een angstig kind dat geleerd had zich onzichtbaar te maken, dat antennes had ontwikkeld voor onraad. Anderzijds wilde ik ook niet meer over me heen laten lopen en dus overschreeuwde ik mezelf en in de rauwe wereld waar ik in opgroeide had ik geleerd dat ik nèt even sneller en gemener moest zijn dan een ander, want dat grote lichaam deed er niet toe. Dat was lomp en traag en zat vaak in de weg.

Er was namelijk nog een andere waarheid. De waarheid van een bekrompen, provinciale familie waar de pijnlijkheden onder het tapijt geveegd werden. De waarheid van een agressieve vader; van alcoholisme, armoede, incest en geweld. Hoewel me dat niet erg opmerkelijk leek, ik vond het normaal, had die achtergrond wel degelijk zijn sporen achter gelaten. Ik was een pure overlever. Ik deed alles wat maar mogelijk was om overeind te blijven en had verdomd weinig scrupules om dat te voor elkaar te boksen.

Aan de toog van de Tjoenster ging het bijna mis. Ik raakte in gesprek met een aardige jonge vent, type uiterst cool en niets wijs te maken. Ik had weer eens hoog van de toren geblazen over min vechtkunsten. Deze dag was ik een meester in Savate, Frans boksen, een subtiele verwijzing naar het Vreemdelingenlegioen. Helaas voor mij zijn alle mannen mannetjesapen. En helaas voor mij geloofde de man me niet en bleek hij zelf een zwarte band te hebben in een sport met moeilijke naam. Of ik maar even naar buiten kwam om hem te demonstreren hoe het werkte.

KUT!

Megakut. Ik had mezelf nu in een situatie geluld waar ik me niet zomaar uit kon lullen en een gevecht met deze afgetrainde knaap zou ik zeker niet winnen. Ik legde me op voorhand neer bij een smadelijke nederlaag met veel pijn en nam me voor dan maar eervol en zonder angst te tonen ten onder te gaan. Ondertussen vroeg ik me af of ik nog wel schone onderbroeken in de la van mijn nachtkastje had.

Ik stond dus ontspannen met de armen langs mijn zij af te wachten op wat er zou komen en nodigde de man uit om te beginnen. Hij aarzelde. Deed een stap. Aarzelde weer. Deed een stap terug. Hief zijn vuisten en deed een stap. Ik reageerde niet. Als hij goed sloeg, zou ik direct plat gaan en kon ik wellicht de schade voor mezelf beperken. Maar hij deed weer een stap terug en liet zijn vuisten zakken.
‘Ik durf niet,’ zei hij, ‘je bent me veel te ontspannen.’ Ik antwoordde dat slechts de heel moedigen hun angst durfden te bekennen en dat ik hem daarom bewonderde en offreerde hem nog een biertje.

Afijn, de legende leefde voort, ik kom nooit meer in een kroeg, heb wel een kaalgeschoren kop met een aantal forse littekens erop en heb van zwetsen, fantaseren en liegen mijn beroep gemaakt. Tegenwoordig weet ik te zwijgen wanneer dat nodig is en doe ik niemand kwaad meer. Tenminste…

Heel zelden.

© Lammert Voos

Chachacha

Dus je wilt dat ik het hele verhaal nog een keer vertel? Wat jullie me willen aanrekenen heb ik dus echt niet gedaan,VERDOMMENOGANTOE! Ik kende Tineke dus van het dansen, ik ben erg goed in de Chachacha, voor-terug-zij-sluit-zij, weet je wel? Zal ik het even voordoen? Nee?

Eerst waren Tineke en ik alleen nog maar danspartners, want die dikke poten van haar, met die spataderen als ankerkabels vond ik echt niet mooi, maar ja, je wilt wel eens wat en hebt het niet altijd voor het uitzoeken. Bovendien kreeg ik steeds ergere katers en dan stond ik ’s ochtends maar wat op mijn schop te leunen en ik kreeg nogal eens op mijn flikker van de ploegbaas en dus een beetje troost…en ik heb het vroeger ook niet gemakkelijk gehad en daarom dronk ik dus ook…en dat is dus ook de reden van dat andere met mijn ouweheer…

Ik reed dus op een keer naar mijn ouwe moeder en toen zag ik die ouwe staan bij de bushalte en dat was een buitenkans, want het land is daar in het noorden leeg en er zijn weinig mensen en ik had er al vaker aan gedacht, want ik had de schurft aan die ouwe. Hij was altijd bezopen, ranselde ons af met zijn riem, beklom mijn zusters en wij moesten hem soms met de hand aan zijn gerief helpen…en toen ik hem daar zag staan…ik stopte de auto en hij zag me aankomen en wist het, ik zag het aan zijn blik. Zoals gewoonlijk stonk hij naar drank en toen hij begon te glimlachen kreeg ik een waas voor mijn ogen en duwde hem achterover de sloot in en hield zijn kop net zo lang onder water tot…hij verweerde zich niet eens. Er was niemand te zien, nergens, dus ik ging gewoon terug naar huis, niemand wist immers dat ik daar was…geen bewijs…Het was wel lachen, want mijn oudste broer zou het wel even regelen en dacht dat hij een vette erfenis zou krijgen vanwege die ouwe zijn huis, moeke woont bij mijn jongste broer, maar bleek dat krot op de monumentenlijst te staan en het moest verplicht gerestaureerd worden en dat zou een smak centen kosten…huis verkocht aan de gemeente voor één gulden en mijn broer een maand chagrijnig, hahaha…DAT heb ik dus wel gedaan, maar bewijs het maar eens…

Ja, Tineke, ja wacht even, ik moest toch vertellen waarom ik zoveel drink? Nou, dat kwam van die ouwe dus. Tineke dronk ook veel, tikte zo twee flessen bessen weg, kwam van haar scheiding en dat ze haar kinderen niet meer zag en al snel ging ze na de dansles met me mee. Had ik al verteld dat ik heel goed ben in de Chachacha? Ja? Niet voordoen? Nee? Dat geloven jullie dus wel? Nou, nou…Maar die eerste keren kreeg ik hem dus helemaal niet omhoog, want die benen van haar waren echt niet prettig om te zien…hadden jullie ook niet gekund.

Gister hadden we dus weer dansen en zijn we daarna de kroeg ingegaan en heel veel weet ik er niet meer van, maar vanmorgen werd ik met een droge bek en koppijn wakker en ligt Tineke naast me midden in het bloed…heb ik niet gedaan; mijn ouwe, die wel, maar dat kunnen jullie niet bewijzen, hè? Ik denk dus dat één van die spataderen van haar geknapt is…dat ze doodgebloed is…maar ja, we waren onder zeil…niks gemerkt…heb ik niet gedaan…ook geen reden voor…

Of denken jullie soms dat het gemakkelijk is om een danspartner te vinden die de Chachacha kan dansen? Voor-terug-zij-sluit-zij, weetje wel? Nee, dat is nog lang niet gemakkelijk. Moet ik het even voordoen? Nee?

© Lammert Voos

De plicht roept

Het wijf snurkte, een zuster van zijn ex die niet gesnurkt had. Hij rekte zich uit, had een droge bek en de eczeem jeukte hels. Hij stond op en dronk minstens een halve liter water rechtstreeks uit de kraan. Hij stommelde de trap af, het wijf bleef snurken, zeeg neer op de beschimmelde bank in de woonkamer en draaide het eerste sjekje van de dag. Die leidde tot een scheurende hoest. Er stonden nog diverse bierflesjes op de tafel met een restje onderin. Hij leegde ze allemaal om zijn keel te smeren.

Geld op. Geen probleem. Hij trok zijn spijkerbroek aan en wurmde zich in zijn cowboylaarzen. Met de vingers door haar en baard. Catweazle noemden ze hem. Geen probleem. Hij slofte de straat over en belde bij zijn overbuurman aan. Het duurde even, toen deed een schurftig kind met een volle luier open. Hij liep het kind voorbij en ging rechtstreeks de trap op, hij kende de weg. Albert zat te zenden, draaide Hollandse Hits. Merkte hem eerst niet op. Geen probleem. Hij ramde met zijn vuist op de deur. Albert merkte hem op.

‘Problemen Albert, ze zijn weer geweest, ze boden me vijftig gulden om je te verraden.’ Albert jankte als een hond. ‘Dan geef ik je vijfenzeventig.’ Dat moest genoeg zijn voor een dag. Albert was een sukkel. Zo stom als een rund, had niet veel meer hersens dan dat stinkende kind waar zijn vrouw hem mee opgezadeld had. En minstens zo schurftig en lelijk. Dan kon hij zijn zender wel De Rode Roos genoemd hebben, maar die was wel verwelkt. Catweazle voelde zich niet schuldig. Albert was al zo vaak gepakt, dikke boetes, zelfs een keer de bak in en toch door gaan. Hijzelf was een keer gepakt voor illegaal stroom aftappen, maar hij had niet gezeurd. Hij deed het nog steeds. Maar niemand durfde hem te bedreigen of verraden in het dorp. Geen probleem.

Met vijfenzeventig brandende guldens in zijn zak zocht hij thuis om de autosleutels. Hij stapte in de Kap’tein. In één keer starten. Geen probleem. Hij reed over kronkelige wegen omzoomd door populieren naar een dorp verderop waar een café was. Eigenlijk wilden ze hem daar niet, maar ja, ze waren bang voor hem. Geen probleem. Dronk wat kleintjes pils, scheurde wat aan de arm van de gokkast, niks.

Bestelde tabak, een krat pils en een fles jenever. Zeilde het krat in de verrotte kofferbak en draaide de dop van de jeneverfles, klemde die tussen zijn knieën tijdens het rijden en nam nu en dan een slok. Draaide met één hand een sjekje. Jenever en tabak smaakten aangenaam.

Thuis lag het wijf nog te slapen. Binnenkort zou hij haar eruit schoppen. Misschien mocht hij dan zijn kinderen weer zien. Heel even dreigde hij overspoeld te worden, maar dat slikte hij weg met drie grote slokken. Nu eerst dat krat leegdrinken. Alleen. Dat was van hem. Als het wijf wakker werd moest ze zelf maar zien hoe ze aan drinken kwam.

Geen probleem.

© Lammert Voos

Kapitan oud

De Vogeljongen

Bauer Vogeljongen

Vorige week zei ik nog tegen iemand dat ik me nooit in het openbaar uitlaat over het werk van andere schrijvers, maar hoe doe ik dat als iemand je specifiek vraagt om publiekelijk over zijn werk te schrijven? Ben ik consequent of verstop ik me dan achter de opmerking dat ik toch altijd al voor grillig doorging?

Een tiental jaren geleden schreef ik boekbesprekingen voor een Twents opinieblad en op gegeven moment kreeg ik daar heel erg tabak van. Er werd me namelijk al snel duidelijk dat mijn smaak nou niet bepaald mainstream is. Ik mijd nog steeds zoveel mogelijk de zogenaamde Nederlandstalige bestsellers, enkele uitzonderingen daar gelaten, en ik beschouw het als een groot onrecht dat een schrijver als Max Niematz nooit beroemd geworden is. Ik gooi ongetwijfeld mijn eigen glazen in door te stellen dat de grote kranten braafjes de promotiecampagnes van de grote uitgevers en elkaar volgen. Het is waarschijnlijk maar goed ook dat ik mijn ambities als schrijver behoorlijk bijgesteld heb, dat zal me een hoop frustratie besparen. Gram zal mijn enige roman blijven, ik ben meer van de korte baan en beleef daar ook het meeste plezier aan.

Eerlijk gezegd ben ik qua Nederlandstalige literatuur behoorlijk blijven hangen bij Nescio, Elsschot en de vroege Reve. Voor mij schreven zij tamelijk tijdloos over onmacht, verwarring en vervreemding. De hedendaagse schrijvers die ik nog volg en waardeer zijn niet toevallig mannen van mijn eigen generatie. Zonder mezelf nu direct qua niveau met hen te willen vergelijken herken ik ze, maar over hen schrijven doe ik niet. Toch vroeg ex-uitgever/boekbespreker/ auteur Guus Bauer me om mijn oordeel over zijn boek op mijn blog te plaatsen. Over mijn werk is hij altijd uitzonderlijke positief.

Ergens op een literair blog had ik een vage discussie gevolgd over in hoeverre zijn boek De Vogeljongen autobiografisch was. Iemand noemde hem zelfs leugenaar en dat bevreemde me nogal. Op de voorkant staat immers Roman. Daarbij is de hoofdpersoon een bijna zestigjarige belegger/miljonair en als Bauer miljonair is, weet hij dat goed verborgen te houden. De discussie ging over het locked in syndroom, een neurologische aandoening waarbij de patiënt zijn omgeving wel ervaart, maar er niet op kan reageren. Nu lijdt de hoofdpersoon van het boek daar inderdaad aan, maar daar gaat het mijns inziens niet over. Die staat van zijn is voor mij veeleer een metafoor voor het niet kunnen controleren van het eigen leven. Voor mij gaat dáár het boek over. Over buitenbeentjes die er iets van proberen te maken, maar hun leven maar deels of helemaal niet onder controle weten te krijgen. Ik had het boek in anderhalf uur uit, want het is vloeiend geschreven in toegankelijke taal. De Vogeljongen zette me behoorlijk op het verkeerde been, had een verrassend einde, vandaar dat ik geen verdere details over het verhaal geef. Ik zou zeggen: koop dit boek en laat je net zo verrassen als ik.

De Vogeljongen staat voor mij dus voor het eeuwige buitenbeentje, en laat ik nu bij mijn schrijvende generatiegenoten het gevoel hebben dat zij, net als ik, de buitenbeentjes zijn die er altijd wat van hebben proberen te maken. Ik kan dat best mis hebben, misschien zie ik het allemaal wel te romantisch, maar dat moet dan maar. Vogeljongens zijn wij immers allemaal – maar aardige vogeljongens. Al zeg ik ‘t zelf..

© Lammert Voos

Guus Bauer – De Vogeljongen
Uitgeverij Marmer, ISBN 9789460682841
173 pagina’s, €17,95